Cromwijcklaan

1962 - 1964 Cromwijcklaan 45, Utrecht

(1 november 1962) De Cromwijcklaan ligt in het noorden van Utrecht, in de nieuwbouwwijk Zuilen. We wonen in een flatwoning 4 hoog. Een hele overgang en ver van het centrum van de stad.


We hebben in de huiskamer een gaskachel en in de douche met lavet staat een gasbrandertje om het te verwarmen als we in bad gaan. De rest van het huis is onverwarmd. Ik weet nog dat we ons ‘s winters aankleden voor de kachel waar mama de kleren voorverwarmt heeft door ze ervoor op een stoel te hangen. De ijsbloemen staan op de ramen.


Het huis heeft overal zijl, met in de huiskamer een vloerkleed. In de huiskamer wordt de eethoek nog wel eens verwisseld; de ene keer staat hij voor het raam en de andere keer weer aan de andere kant. Het is elke keer weer een vreemde verrassing als we uit school komen.


Van de verhuizing kan ik me niets herinneren. Best mogelijk dat ik uit logeren ben en dat zou wel eens in Nijmegen geweest kunnen zijn, bij de familie die we in Harderwijk hebben leren kennen. Hun huis is vlak aan het spoor en je hoort de treinen langskomen. Ik herinner me dat we moesten douchen. Alle drie bloot in de badkamer. Ik vind het maar raar. Ik heb er leren fietsen. Ik zie me nog bijna tegen de stoeprand rijden. Toen ik het kon heb ik het verder de rest van de week gedaan. Fantastisch! Het machtige gevoel dat ik de fiets beheers en mijn evenwicht kan bewaren. We fietsen vooral bij de school waar vader Jansen onderwijzer is. Wij zijn ook de school binnengegaan en er een grote kruik of vaas aangetroffen die van binnen heel erg stinkt. De oudste, Richard, heeft een voorliefde voor het zich verkleden als meisje en toneel spelen. Ik heb er ook Brinta leren eten.


Ik heb toen ik thuis kwam mijn eigen fiets gekregen. Ik zie me nog samen met papa en mama fietsen. Apetrots! Door met een knijper een speelkaart vast te zetten op één van de spaken van de fiets maakt die een klepperend geluid.


De meest duidelijke herinnering van het wonen in de Cromwijcklaan is die van de winter van ‘62-’63. De winter waarin Reinier Paping de Elfstedentocht wint. Na Nieuwjaarsdag gaan ‘we’ overal in de wijk kerstbomen verzamelen en die verstoppen ergens op de benedenverdieping van onze flat. Er zijn daarbij botsingen met kinderen uit een naburige wijk, de Schaakbuurt, die hetzelfde aan het doen zijn. Ik voel me heel territoriaal en geniet van het gevaar en het avontuur. Tenslotte worden de kerstbomen verbrand. Het heeft zo hard gevroren dat we zelfs kerstbomen verbranden op het ijs van de vijver van het Niftarlakeplantsoen!


Ik hoor hier ook voor het eerst ‘She loves you’ van de Beatles. De muziek schalt uit een radio ergens in de straat.


We hebben een poes die Poekie genoemd wordt, zwart met witte en rode vlekken. Een keer is ze op de buitenrand van het balkon aan het lopen en valt naar beneden. Ze heeft enkel een pootje verzwikt of zo, verder niets.


Bellen blazen Op hetzelfde balkon ben ik aan het bellenblazen met een stenen bellenblaaspijpje. Ze gaan wel gemakkelijk stuk. Je kunt ook met het pijpje in het sop blazen, dan komt er met een borrelend geluid een schuimkop op de beker met sop te staan. Het pijpje heeft een kalkachtige smaak.


Gratis proeflessen volgen van het NTI. Ik heb steno gedaan en Russisch en ook gitaar denk ik (op de Spaarnzichtlaan).


Ik ben 10 jaar en het is een tijdje na de verhuizing naar de Cromwijcklaan en ik loop nog eens over de Catharijnesingel. Ik ben me bewust van een soort historisch moment en beloof mezelf dat ik me dat altijd zal blijven herinneren. Als teken daarvan moet ik de woordencombinatie ‘zaterdag-markt’ onthouden. De precieze reden is me ontschoten, maar misschien is er geen diepere reden. We gaan regelmatig naar de markt op zaterdag en dat is altijd heel leuk.


De tijd van de korte broek is ook voorbij wanneer ik 11 wordt. En ik heet voortaan geen ‘Tonnie’ meer maar ‘Ton’.


Soms krijg ik slaag als ik iets uitgespookt heb. “Wacht maar tot je vader thuiskomt, dan zwaait er wat”, zegt mama. Papa slaat met zijn vlakke hand op mijn billen. Hij zegt erbij dat het hem meer zeer doet dan mij. Ik geloof er niks van. Mama d’r handen zitten ook vaak nogal los. Meestal een gemene pets in het gezicht. Ida deelt ook vaak in de klappen, in feite nog meer dan ik.


Ik ben op het balkon een ‘experiment’ aan het doen met het mengen van verschillende stoffen en het resultaat wordt in een doorzichtige, plastic container gedaan. Het recept wordt opgeschreven in mijn ‘grote boek’. Ik noem het resultaat ‘sausrelade’. Sommige stoffen worden met het ‘geheime (Buisman) lepeltje’ toegevoegd. Ik ruik de hartige geur van het groenige spul nog (zat er Maggie in?). Later heb ik (of was ik met neef Ton samen?) de container begraven op het terrein achter de speelplaats van mijn school.


Mijn neef Ton woont nu relatief vlakbij en ik ga er dikwijls naar toe op de fiets. Samen gaan we dan op de fiets besjes verzamelen van allerlei struiken. De besjes krijgen namen en worden in doosjes opgeborgen. Waarschijnlijk wordt dat ook allemaal genoteerd in een schrift. Ook bloempotscherven en krijt worden verpulverd en in (lucifers)doosjes gedaan. Op die manier hebben wij een soort lab van verschillende stoffen in de fietsenschuur van mijn oom en tante. Het voelt allemaal geheimzinnig en belangrijk. We gaan ook regelmatig bij ome Henny en tante Corrie op bezoek. Naast neef Ton zijn er nog de kinderen Henkie, Jantje en Bea.


Er was daarvoor een breuk die te maken had met de verhuizing naar de Hartingstraat waarbij ome Henny zou komen helpen, maar die kon niet (?). Een tijdje later is het weer goed gemaakt. Een van de keren dat wij daar op visite zijn heb ik aan de overkant een putdeksel opengemaakt. Ik vind putten sowieso fascinerend en wil altijd weten wat er in zit. Ik laat zittend mijn benen in de open put bungelen en dan komt het loodzware deksel naar beneden op mijn dijen. Hoe ik weer naar het huis van ome Henny gekomen ben weet ik niet, maar wel dat ik gedragen moet worden.


Een andere keer dat we op bezoek zijn wordt het ‘s avonds heel laat en het is al donker buiten. Het moet rond de 13e augustus geweest zijn, want er verschijnen tientallen meteorieten (de Perseïden) aan de hemel, de een na de ander. Het is net vuurwerk. Heel indrukwekkend.


Met mijn neef ga ik ook een keer naar het laboratoriumgebouw op de hoek van de Catharijnesingel en het Moreelse Park. Ik klim over het hek en wordt gesnapt. Ik word boven in het portierskamertje verhoord wat ik daar kom doen. Ze geloven het eerst niet dat ik gewoon maar nieuwsgierig ben. We zijn daarna naar huis gebracht in een politiebusje.



Vismarkt Via neef Ton krijg ik ook een nieuwe hobby: postzegels sparen. Die koop ik bijvoorbeeld op de Vismarkt in het centrum van Utrecht. Ik heb weinig verstand van de waarde, maar mijn neef wel.

Beneden achter de flat is een open plek met een zandbak en ronde stenen verhogingen waar je op kan springen. Uren heb ik daar doorgebracht, vaak met Ida samen. Zandforten bouwen met aan twee kanten met de hand uitgegraven gangen er in waar je je arm door kunt steken. In de zandbak geeft het zachte zand van de oppervlakte gemengd met het harde, vochtige zand eronder een speciaal gevoel, precies goed. Mama kan ons vanaf het balkon zien en roepen als het eten klaar is.


Wasmachine Wringer

Op de Cromwijcklaan krijgen we onze eerste wasmachine. Het is zo’n grote ronde machine, met onderin een draaiding, de slinger (een Miele?). Er bovenop staat een wringer van het merk ACME, precies zoals op de foto.

Blauwsel En gebruiken wij ‘blauwsel’ van Reckits?


Boodschappen doen we op het pleintje vlakbij. Ik meen me te herinneren dat daar een COOP (?) supermarkt is en/of een VIVO supermarkt en nog een aantal winkels.


Vaak zijn Ida en ik de hele dag alleen thuis, als papa en mama allebei moeten werken. We gaan dan bijvoorbeeld spelen op de zolder die een verdieping hoger ligt en waar je buitenom via het trappenhuis kan komen. Alle bewoners hebben een eigen stuk ruimte, afgescheiden door muren van kippengaas. Op de open plek tussen de ruimtes maken we een tent van dekens en spelen indiaantje. Ik probeer me ook aan te kleden als een echte indiaan, met een grote zakdoek van voren en vanachter om mijn heup. Ik heb er dan niets onder aan en dat voelt dan wel raar.


In het nachtkastje naast het bed in de slaapkamer van mama en papa vind ik een keer rare opgerolde ballonnetjes...


Wat ik ook veel doe is fietstochten maken. Op mijn kamer heb ik een grote kaart van Utrecht hangen en ik stippel daar dan een route op uit. Die route ga ik dan rijden.


Achter het Niftarlakeplantsoen zijn ook straten, waar ik wel eens doorheen kom. Op een dag in maart/april bloeien er de Japanse kersenbloesems die aan twee kanten langs de hele straat staan. Wat een prachtig gezicht! In dezelfde buurt zijn ook veel gebouwen opgetrokken uit gele baksteen. Ik heb die later nog teruggezien in een droom.


Een dagje naar Den Haag naar het planetarium in het gebouw van de Haagse Courant. Een van de mooiste belevenissen van mijn leven.


Met oud en nieuw naar ome Jan en tante Ineke. Dat hebben we verschillende keren gedaan. Ze wonen in een flatwoning op het Kanaleneiland. Een keer begint het ‘s nachts te sneeuwen. Ik herinner me ook vaag de zussen van tante Ineke (Verschuur), allemaal zo’n beetje hetzelfde type. Eentje heet er Marijke. En dat is in een huis nog voordat ze op het Kanaleneiland wonen... Later hebben ze ook een lampenwinkel, dat moet in de Heemstede-tijd geweest zijn of misschien zelfs nog later.


Op visite bij ome Jan Haarmans en tante Lien. Ze hebben 7 kinderen. Ik herinner me de namen Diana, Ton, Bart, Arno en Jan, een jongen van mijn leeftijd, die wat ziekelijk is. We moeten er onze schoenen uitdoen. Het ruikt er dan ook een beetje naar zweetvoeten. We zijn er een paar keer geweest, zowel in Amersfoort als in Hilversum. Op één van die plekken is op de benedenverdieping een winkel, de stomerij van Palthe, waar ome Jan de baas van is.


Naar vrienden van mama (Joop en Ria, een ex-collega van mama) in Rotterdam met de trein. Lopend met zoon (heet hij Dick?) (en nog anderen?) naar het Feyenoord-stadion. Hij weet binnen te komen en we kijken naar het voetballen. Ik snap er niet veel van. Het is een hele lange wandeling. Onze ouders zijn behoorlijk ongerust geworden…Kan ook dat we toen nog in de Pasteurstraat woonden. Ik geloof ook dat we water meegenomen hebben als geschenk, want het water is er door het chloor ondrinkbaar.


Watertoren Op bezoek bij (oud)oom Henk, broer van mama’s vader. Hij is chemicus en is directeur (?) van de watertoren in Enschede. Weegschaal Ik heb toen een prachtige apothekersweegschaal gekregen.


Een andere oudoom heet Herman en zijn vrouw heet Dinie. Ik kan me die niet herinneren.


Ik ben een week in de grote vakantie elke dag op stap geweest met een soort van begeleid vakantie-gebeuren: “vakantieontspanning”. In het begin vind ik het idee maar eng. Ik heb al gehoord van vakantiekolonies, waar je ook blijft slapen, maar het valt enorm mee. We doen allerlei spelletjes en gaan ook het bos in. Ik herinner me dat ik kogels vond, lege hulzen van ‘echte’ en ook zwarte plastic ‘losse flodders’, tijdens een zoekspel in het bos. Het terrein waar we verzamelen is ergens in het noorden van Zuilen.


Ook tijdens de zomervakantie zijn we keer ome Jan en tante Ineke gaan opzoeken. Die hebben een huisje gehuurd in het bos. Jan-Willem is nog klein en heeft een hele tijd met een lepel met zout geprobeerd dat op de staart van vogels te strooien. Dan zouden ze blijven zitten is hem verteld.


scheikundeboek Ik krijg een scheikundedoos voor mijn verjaardag of sinterklaas. Ik heb er heel veel plezier van gehad. Er zat een boekje bij met proeven en veel buisjes met stoffen: rood en geel bloedloogzout, kopersulfaat, enz. Ik koop later in een boekhandel op de Amsterdamse Straatweg mijn eerste boek van mijn eigen zakgeld: ‘Scheikunde thuis’ voor 7 gulden.


Het ‘grote boek’ is ondertussen verruild voor een praktische, want uitbreidbare, Multomap. Er zitten pastelkleurige schutbladen in waarop ik de verschillende onderwerpen schrijf. De kaft is van geribbeld, veelkleurig plastic en met een zelfgemaakt stempel heb ik er een blauwe T op gezet. in de multomap schrijf ik alles wat ik onthouden wil en interessant vind, van vreemde alfabetten tot lijsten van elementaire deeltjes en wat niet al.


bibliobus Boeken leen ik in de Bibliobus, die elke week langskomt. Ik lees het liefst de meer wetenschappelijke boeken. Je mag altijd maximaal zoveel boeken fictie en zoveel boeken non-fictie nemen. Ik weet nog dat ik alle interessante boeken uit de kinderafdeling gelezen heb en dat ik boeken mag meenemen die eigenlijk alleen voor volwassenen bestemd zijn. Sommige gaan inderdaad boven mijn pet. Toch proberen.


Ik heb ook een microscoop met objectglaasjes en voorbeeldpreparaten. Onderaan zit de belichting in een draaibare beugel; ene kant een lampje, andere kant een spiegeltje. Er zitten ook dekglaasjes bij die je kan vastplakken op het objectglaasje met canadabalsem (ruikt lekker).


Okkie Trooy Mik en Mak
De tv-programma’s die ik me nog kan herinneren zijn: Okkie Trooy (de uitvinder met zijn krentenbollenkoffer en koningin Fifi van Fabelonië), Mik en Mak (met Donald Jones die met zijn armen vooruit slaapwandelt en dan met een vet Amerikaans accent telkens “Ik droom” zegt). Op de foto zie je Mik en Mak bij Oma Tingeling die in een huisje woont dat op het kruispunt staat van de vier windstreken. Meneer Humdrum wil altijd het huisje kopen, maar het lukt hem nooit.

Ester Ofarim De Rudi Carrel (als Robinson Crusoe) Show met Esther Ofarim (als zeemeermin). Ik vind Esther wel heel erg leuk.


Tijdens deze periode is ook opa Haarmans overleden. Ik weet er niet veel meer van en voelde er geloof ik ook niet veel bij. Ik zie me nog wel naar school lopen als ik net dat bericht heb gekregen en dat ik erover nadenk en het vreemd vind.