1969 - 1972 IJmondschool

Wenckebachstraat, Velden-Noord

Na de vakantie en het debacle bij Shell ga ik naar de analistenschool aan de Wenckebachstraat in Velsen-Noord. Het is een soort compromis tussen scheikunde studeren, wat niet gaat met mijn diploma en een HBO-opleiding die in de richting komt. De ‘Stichting ter behartiging van de vorming tot assisterend laboratoriumpersoneel’ is ondergebracht in het gebouw van de IJmondschool die opleidingen verzorgt voor Hoogovens (nu het Tata Steel Training Centre). De jongens die in opleiding zijn voor Hoogovens zelf zitten in een apart gedeelte van de school. Wij noemen ze de ‘hoogoven-boys’ en kijken een beetje op ze neer. Ze dragen blauwe overalls die in een grote ruimte aan takels aan het plafond hangen. Bij het begin van de schooldag worden die naar beneden gelaten en trekken de jongens hun overall aan.

pont Ik ga met de brommer naar school en pik dan onderweg in Haarlem-Noord mijn vriend DJ S. op. Samen brommend gaan we naar school. In Velzen-Zuid gaan we het pondje op over het Noordzeekanaal. Soms spugen we over de railing en tellen hoeveel ‘kwatjes per seconde’ we gaan. Afhankelijk van de windrichting worden we op de pond bedwelmd door kwalijke dampen, meestal bruinige stikstofoxiden, afkomstig van het industrieterrein van de hoogovens. We rijden de fietsenkelder in en stallen onze brommer. Dan met de trap omhoog de centrale hal in. Op het bankje tegenover de trap verzamelen we. Er wordt gerookt en gepraat. Vervolgens beginnen de lessen.

Bij de allereerste les word ik voor het eerst aangesproken met ‘meneer’. Onze leraars zijn o.a. Nobel, Ad van Nierop, Piet van Riel, Ederzeel, Ir W.C. Salm. Van meneer Borensztajn krijgen we wiskunde. Ik krijg ook scheikunde theorie en praktijk, natuurkunde, mechanisch practicum, waarschijnlijkleidsheer en technisch Engels. De directeur heet Rosmark en de conciërge heet Hogerheide.

Het wordt me al snel duidelijk dat het romantische beeld dat ik heb over scheikunde en onderzoek doen totaal niet klopt. De praktijk is veel ‘droger’ en beslist niet romantisch. En ook mijn cijfers zijn er naar. Waar ik op de MULO negens en tienen haal krijg ik nu hooguit een zes.

soxhlet Meneer Salm geeft het mechanisch practicum. Ongelooflijk boring. Wekenlang gaat het over het Soxhlet-apparaat. Ik herinner me van de praktijklessen scheikunde vooral het ‘titreren naar zalmroze”, de roersteentjes (‘beans’), de porseleinen kroezen en rubberen pipetteerballonnen. Ik bega er ook een enorme blunder: ik bezorg één van de meisjes brandplekken door haar met een kroezentang in de nek te pakken. Ik realiseerde me niet dat het ding gloeiend heet is...

liniaal Een van de weinige dingen die ik onthouden heb van de lessen is de reden waarom de gele natriumlampen eerst rood kleuren: door een spoor kwikdamp die even later overvleugeld wordt door het veel fellere natriumlicht. Wat ik ook onthouden heb is hoe ingewikkeld de fysica en vooral de wiskunde van wisselstroom is. Er komt integraalrekening bij kijken. Ik merk dat dat daar de grens van mijn bevattingsvermogen ligt. Heel leuk en handig is het werken met een rekenliniaal. Waarom hadden we die niet op de MULO?!

ballon Sommige praktijklessen vinden plaats in barakken verder op het terrein. Daar moeten we bijvoorbeeld uitvinden wat voor stof ‘Naarden-X’ is (blijkt oxaalzuur te zijn). Er staan spectrofotometers, er kan gaschromatografie gedaan worden. We doen ook gewone (dunne laag) chromatografie op papier en op glas. Ik bak er allemaal niet veel van. Wat ik wel goed kan is waarschijnlijkheidsleer: werken met standaarddeviaties en normaalcurven.

rapport

Technisch Engels gaat ook goed. De leukste leraar is Borensztajn. Hij kent Steppenwolf, heeft een grote krullenbol en gevoel voor humor. Ik teken eens voor de grap een belachelijk complexe wiskundeformule op het bord met daarin allerlei dingen uit de hogere wiskunde die ik feitelijk alleen theoretisch maar een beetje begrijp. Borensztajn weet niet wat hij ziet! We zingen soms het liedje ‘O, my darling Borensztajn’. Maar ook van de reële wiskunde op school bak ik feitelijk niet veel.

Van mijn medeleerlingen ken ik nog Tineke B., 'Borrel' , Rob W., Jan B., Helga en een meisje met bril dat Ida heet. Borrel is een echte freak met bontjas. Eigenlijk is hij totaal niet op zijn plaats in deze school. Al gauw vrijt hij met het populairste meisje, Tineke. Ik ben best wel jaloers op de vrijgevochten Borrel, die zich ook door de leraren met zijn bijnaam laat aanspreken.

Van Rob W. herinner ik me dat ik op zijn verjaardagsfeestje ben geweest in Castricum. Ik ben behoorlijk dronken op mijn brommer weer naar Haarlem gereden.

Van Jan B., ook nogal een freak, herinner ik me dat hij een keer gezegd heeft dat hij in de middagpauze LSD in mijn koffie heeft gedaan. Ik heb hem een paar uurtjes flink geknepen, gelukkig bleek het maar om plagerij te gaan.

En natuurlijk D-J, met wie ik altijd heen en terug naar huis rijd. Ook maak ik wel huiswerk bij hem thuis en draaien we plaatjes. Ik herinner me dat hij de plaat ‘Get Ready’ van Rare Earth heel goed vindt. Ik draai dan ‘In-A-Gadda-Da-Vida’ van de Iron Butterfly. Zijn broer heet Koen en is een paar jaar ouder en gaat met een heel mooie vrouw. Het zou best kunnen dat ze ook al een kindje hebben. D-J’s ouders hebben een slagerij en de leverworst smaakt goddelijk. Ik weet ook nog dat D-J en Koen aan waterpolo doen.

Op een dag rijd ik met de brommer alleen naar huis. Bij het optrekken bij een stoplicht merk ik dat er een meisje naast me rijdt. We doen wie het hardst kan rijden en scheuren naar Haarlem. Fun! Ergens in de buurt van Haarlem slaat ze af... Ik rij door naar huis. Nooit meer gezien.

Op school klaverjassen we altijd elke middagpauze op het balkon van de kantine. In de benedenzaal zitten de hoogoven-boys. Ik leer er de geheimen van het seinen, het ‘stuk’, ‘roem’ halen en ‘nat’ gaan.

In de eerste (overgangs-)klas krijgen we elke woensdag creatieve vorming in het vormingscentrum in Beverwijk. Ik leer er allerlei kunstzinnige technieken, zoals emailleren op koper. Ik maak er onder andere een gipsen afdruk van mijn hand waar een ‘ban de bom’teken in staat. Helaas valt de creatieve vorming weg in de jaren erna.

Tijdens een of andere les worden de gedichten van Lucebert besproken. Er wordt een nogal bespottelijke uitleg bij gegeven. Ik vind de gedichten onzin en besluit dat ik dat ook wel kan. Ik schrijf tientallen ‘gedichten’ samen met nog een paar anderen.

De school geeft ook een schoolkrant uit, de ‘UI’, die o.a. door leerlingen wordt volgeschreven. En ik herinner me een schoolfeestje met uitgebreid ‘slijpen’ op ‘Je t’aime’ van Birkin/Gainsbourg.

apa Ergens tijdens het eerste jaar wordt de Pedagogische Academie in Beverwijk bezet (een paar maanden later dan de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam). Het is de tijd van het ‘Rode boekje voor scholieren’ en allerlei studentenopstanden. Heel opwindend allemaal. “Dit is het begin - wij gaan door met de strijd!” De ‘Alternatieve Pedagogische Academie’ wordt opgericht. De oude academie is dan de OPA ;-). De APA wordt later met harde had ontruimd en Borrel is er meteen naar toe om zijn solidariteit te betuigen. Onze klas besluit ook solidair te zijn op afstand en staakt. Ook willen we meer inspraak in het schoolgebeuren. We hebben een vergadering met de schoolleiding. Geen idee wat we wilden en geen idee wat het resultaat was.

listeria Voor chemie ben ik dus niet geschikt. Voor de B-opleiding met nog meer theoretische chemie en fysica al helemaal niet. Om te zorgen dat niet de hele opleiding voor niets is geweest, kies ik voor de medische HBO-A richting. Deze richting is weer opgesplitst in een klinisch-chemische en een bacteriologische richting (het C-diploma). Ik kies voor het laatste. Er zitten enkel meisjes in mijn klas. Ik krijg ook lessen fysiologie en hematologie en misschien toch ook een aantal lessen klinische chemie en serologie. De praktijklessen vinden plaats in de kelders van het Centraal Ziekenhuis aan de Metiusgracht in Alkmaar. Behalve de bacteriologische praktijk leer ik er ook tellingen doen van bloedcellen met een microscoop en een telkamer. Microscoperen is leuk. Ik leer wat een ‘bonte rij’ is en leer werken met een entnaald en voedingsbodems, het identificeren van bacterie-stammen en de gevoeligheid vaststellen ten opzichte van allerlei antibiotica. Het vaststellen van tbc wordt gedaan door cavia’s in te enten met besmet materiaal en ze dan acht weken later of zoiets te doden (onder een stolp met CO2) en open te snijden. Op bepaalde plekken verschijnen dan zwellingen als de test positief is. Ik zie daar behoorlijk tegenop. Een aantal meisjes weigeren, maar aangezien het onderwerp verplicht is voor het behalen van een diploma besluit ik, onder protest, om de lessen toch te volgen. Ik ruik nog de weeïge geur van de opengesneden beestjes.

fiepjes O ja, by the way, het rubberen speentje op een pipet heet een ‘fiepje’.

cz

De opleiding wordt afgesloten met een jaar praktijkstage in een echt laboratorium. Via de bacterioloog van het CZA, kom ik terecht in het ‘baclab’ van het Juliana Ziekenhuis in Zaandam, waar dr. Schuitemaker ook de bacterioloog van is en daar hebben ze plaats. Na dat jaar doe ik op 3 en 4 januari 1973 examen in Utrecht en slaag voor het diploma. Ik mag daarna blijven werken in Zaandam.