33. Het gevoel van ik-zijn


[1] V: Als alles wat ik denk dat ik ben elk moment sterft, wat ben ik dan werkelijk? Nisargadatta zegt te streven naar het zien dat: "Ik ben dat wat nooit geboren wordt en nooit sterft." Hij noemde dat, "het substraat van het bestaan." Wil je alstublieft commentaar geven?

[2] V2: Ik vroeg me af wat je dacht van het idee dat je niet het lichaam bent of de geest of de gedachten, en verder dat je nooit geboren bent en nooit zult sterven. Ik zie niet in hoe men vanuit een eerlijk standpunt kan suggereren dat deze specifieke uitdrukking van energie, of wat het ook moge zijn, nooit zal sterven. Sommigen schijnen troost te vinden in het idee dat energie eeuwig is, maar hoe heeft dat betrekking op deze specifieke uitdrukking van energie die uiteindelijk zal "sterven", en dan een lange transformatie zal beginnen in wie weet wat?

[3] A: Als je probeert "mijzelf" te definiëren, heb je te kampen met een totaal gebrek aan perspectief - een afwezigheid, bedoel ik, van een niet-zelf gezichtspunt van waaruit je de zaak kunt bekijken. Shakespeare, sprekend als Brutus, wijst hierop wanneer Brutus tegen Cassius zegt: "Het oog ziet zichzelf niet, maar door weerspiegeling in andere dingen." Iedereen heeft het gevoel van "mijzelf," maar het feit van ik-zijn blijft altijd mysterieus en onverklaarbaar.

[4] Nisargadatta werd opgevoed in een traditie die berust op vaste, axiomatische definities van het Zelf uit de Veda's - de vroege geschriften van het Hindoeïsme. Die traditie draait om een veronderstelde unitaire "kosmische bron" die Brahman genoemd wordt, en beschreven wordt als "de hoogste werkelijkheid." Die conceptuele structuur poneert ook een individueel zelf dat atman genoemd wordt.

[5] Op dit punt lopen de Vedische tradities uiteen. Sommige vormen van het Hindoeïsme beschouwen Brahman als verschillend van en superieur aan atman. In deze versies, die ronduit dualistisch zijn, is Brahman de "hoogste werkelijkheid," en atman een meer voorlopige, beperkte, of slechts schijnbare "werkelijkheid." In die versie van het verhaal staat atman in relatie tot Brahman op een manier die enigszins vergelijkbaar is met de relatie tussen de individuele ziel in Westerse religies en de Godheid.

[6] In de non-duale Hindoe tradities, zoals Advaita Vedanta, wordt atman daarentegen gezien als identiek aan Brahman; zij zijn één en dezelfde. Nisargadatta volgde en onderwees dit laatste, non-duale concept van atman, of "zelf". In die visie, aangezien Brahman - zoals de God van de Westerse religies - nooit geboren is en nooit sterft, is atman ook nooit geboren en sterft nooit. Nisargadatta beweerde dat hij als atman - als een individueel zelf - zijn identiteit met Brahman "gerealiseerd" had, en zo de geboorte- en doodloze staat had bereikt. Dit is te vergelijken met Jezus die zegt: "Ik en de Vader zijn één."

[7] Persoonlijk heb ik weinig belangstelling voor die formulering. Ik heb deze zaken in de loop der jaren uitvoerig besproken en kan dat hier niet allemaal herhalen, maar één fundamentele fout in dit verhaal springt er voor mij uit. Die tekortkoming is het dogmatische geloof dat een mens, Nisargadatta of wie dan ook, ooit kan weten wat "mijzelf" is of niet is.

[8] Ik heb gezegd dat het gevoel van ik-heid dat zichzelf "ik" noemt nooit precies is wat het denkt te zijn, en nooit precies weet wat het denkt te weten. Dus vanuit mijn perspectief is er een psychologische onzekerheid impliciet in elke gedachte over het "zelf" die ik niet erkend zie in het Hindoeïsme - inclusief de woorden van Nisargadatta - die nogal absolutistisch lijkt, en onredelijk zeker van haar filosofische/religieuze concepten.

[9] Dit wil niet zeggen dat Nisargadatta en anderen zoals hij niets waardevols te communiceren hadden. Het hele onderwerp "Wie ben ik?" kan provocerend zijn, en misschien nuttig om de geesten open te stellen. Maar niettegenstaande Vedanta is de kwestie wie of wat "ik" ben niet opgelost met een juist antwoord. Het is een open vraag die, volgens mij, open moet blijven.

[10] Ik wil hier niet te ver in details treden, maar Nisargadatta's idee over een "bewust substraat van het bestaan" is een religieus geloof - een beeld niet alleen van een oneindig universum, maar van een intentioneel en bewust universum. Dat idee kan Nisargadatta een soort troost hebben gebracht, en hij heeft zeker studenten aangetrokken die diezelfde soort troost voor zichzelf wilden vinden. We willen allemaal graag comfortabel zijn, natuurlijk, maar tegen welke prijs?

[11] Misschien bestaat er werkelijk een allerhoogste "Zelf" als het voelende fundament van de hele santenkraam. We kunnen dat geloven, maar weten we dat ook? Hoe dan? Wat als wat bestaat gewoon bestaat, zonder enig substraat, bewust of niet?

[12] Wat als "bewust substraat" net zoiets is als "God", die al dan niet bestaat, en waarvan het bestaan zeker niet bewezen kan worden? Wat als wat ik echt ben een levend brein en zenuwstelsel is zonder enig verband met iets "geboorte-loos" of "doodloos", behalve in spirituele fantasieën die eindigen als het brein sterft?

[13] Het is belangrijk, zeg ik, om niemands woorden als definitieve antwoorden op vragen als deze te beschouwen, omdat wij mensen allemaal beperkt zijn in wat we kunnen weten, in tegenstelling tot wat we geloven. Er is een enorme kloof tussen geloof en kennis. Gigantisch. Hoewel beide in woorden kunnen worden uitgedrukt, zijn ze van zeer verschillende aard en behoren ze in feite tot twee verschillende werelden. Zelfs kennis heeft zijn beperkingen: wij mensen zijn nooit precies wat we denken te zijn, en we weten nooit precies wat we denken te weten.

[14] Telkens wanneer informatie zich aandient - percepties, gevoelens, emoties, herinneringen, concepten - wordt die informatie door "mijzelf" keuzeloos, moeiteloos en onmiddellijk herkend. Als ik je wat water te drinken geef, hoef je je niet af te vragen of het water warm of koud is. Je weet het gewoon. Dat is hoe ik het "zelf" beschouw - een weten zonder te proberen het te weten of zelfs maar te hoeven proberen. Is dat weten-zonder-te-proberen zonder geboorte en zonder dood? Als je ja zegt, en zonder verwijzing naar tradities, geschriften en dergelijke, maar geheel op eigen kracht, hoe weet je dat dan?

[15] Er is het verhaal over een machtige keizer die steeds geruchten hoort over een Zen-meester die ver van de hoofdstad verblijft, aan de uiterste grens van het rijk. Volgens de geruchten is deze oude man een persoon van grote waardigheid, die alom vereerd wordt om zijn wijsheid en zijn diepe inzicht. Men zegt dat hij de wijste man van het hele koninkrijk is.

[16] Nu heeft de keizer alles wat een mens zich kan wensen, maar het geluk ontgaat hem omdat hij zich voortdurend zorgen maakt over wat er zal gebeuren als hij sterft. De priesters van zijn hof vertellen hem dat hij rechtstreeks naar een van de boeddhistische paradijzen zal gaan, of misschien naar de berg K'un-lun, de woonplaats van de taoïstische onsterfelijken, of in het ergste geval, afhankelijk van de mate van zijn deugdzaamheid, naar het tiende hof van de hel voor een periode van kastijding, waarna hij het elixer van de vergetelheid zal drinken en zal worden gereïncarneerd. Maar de keizer is niet overtuigd. Hoewel hij wanhopig wil geloven in het leven na de dood, zelfs als hij daarvoor een tijd in de hel moet doorbrengen, is hij vreselijk bang dat geen van de door de priesters beloofde dingen zal gebeuren als hij sterft, maar dat hij in plaats daarvan gewoon zal ophouden te bestaan.

[17] Tenslotte besluit de keizer de wijze oude man aan het hof te ontbieden, wat een onderneming van vele angstige maanden blijkt te zijn. Eerst moeten zijn gezanten naar de uithoeken van het rijk reizen om de Zenmeester te zoeken, en als ze hem dan eindelijk gevonden hebben, moeten ze de lange terugreis naar huis maken, waarbij de meester niets zegt - geen woord - maar alleen knikt als hij eten of thee geserveerd krijgt.

[18] Tenslotte komt de karavaan weer bij het paleis aan en de meester wordt voor de keizer gebracht.

[19] Nadat hij de oude man heeft begroet, zegt de keizer: "Men zegt ons dat u een groot leraar bent, een Zenmeester."

[20] De oude man buigt slechts.

[21] "Ze zeggen dat u de wijste man in het rijk bent," vervolgt de keizer.

[22] Weer alleen een stille buiging.

[23] "Wel, als u zo'n grote Zenmeester bent, vertel me dan het volgende," beveelt de keizer. "Wat gebeurt er als men sterft?"

[24] "Het spijt me, heer," antwoordt de oude man, "ik weet niet wat er gebeurt als men sterft."

[25] Hierop verliest de keizer, altijd al een ongeduldig man, zijn geduld. Hij kijkt vanaf zijn troon op de oude man neer en vraagt boos: "Als u zo'n grote Zenmeester bent, waarom kunt u me dan niet vertellen wat er gebeurt als men sterft?"

[26] "Het spijt me, heer," zegt de oude man. "Ik mag dan een Zenmeester zijn, maar ik ben geen dode Zenmeester."